Bijlage I: Kaders ruimtelijke beoordeling voor Voedselbossen en Voedseltuinen
Vooropgesteld staat dat de gemeente Westerkwartier voedseltuinen en voedselbossen wil stimuleren. Maar deze initiatieven hebben ook impact op de omgeving, omwonenden en het landschap. Soms met klachten tot gevolg. Een locatie moet zich er dus wel voor lenen, en dat betekent dat niet elk perceel in het buitengebied meteen geschikt is voor een voedselbos of -tuin. We willen als gemeente initiatieven voor voedselbossen en -tuinen stimuleren, maar moeten ze dus ook reguleren. Vandaar deze ruimtelijke kaders die we hanteren bij de beoordeling van initiatieven.
Als er al een locatie of perceel op het oog is, kunt u via de gemeentelijke tool 'Verken uw idee' een eerste beoordeling laten doen waarbij we naar deze kaders kijken.
Telen van gewassen en hoogopgaande beplanting
De meeste initiatieven voor een voedseltuin of -bos betreffen een agrarisch perceel in het buitengebied dat voor beweiding of akkerbouw in gebruik is. Soms aangrenzend aan een bebouwd erf (woning of agrarisch bedrijf), maar soms ook een solitair gelegen agrarisch perceel.
Op basis van het Omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier is bij percelen met een agrarische bestemming het gebruik ten behoeve van agrarische doeleinden toegestaan, waaronder het telen van gewassen en/of het weiden van dieren.
Voedselbossen en voedseltuinen waar ook sprake is van hoogopgaande beplanting (waaronder ook fruitbomen) zijn niet overal mogelijk, of alleen onder voorwaarden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de open gebieden en de karakteristieke dijken- en wierden landschappen van onze gemeente. Bossen en hoog opgaande beplanting kunnen namelijk grote visuele impact hebben op de openheid en landschappelijke waarden. Zie ook bijlage II - Landschappelijke randvoorwaarden voor Voedselbossen en Voedseltuinen.
Activiteiten gericht op het sociaal-maatschappelijke doel
De pure agrarische functie van een voedseltuin, het telen van gewassen om voedsel te produceren, vormt als basis dus geen probleem. Maar een voedseltuin (en -bos) heeft een breder doel dan dat. Het is ook gericht op het bevorderen van de sociale gemeenschapszin en maatschappelijke educatie. Dit uit zich in zelfoogstmomenten en openstelling voor educatie en rondleidingen.
Vanuit de Voedselvisie wordt de sociaal-maatschappelijke kant juist ook gestimuleerd, maar deze onderdelen hebben ook een directe ruimtelijke impact op de omgeving en kunnen voor onwenselijke verstoring en hinder zorgen. Bijvoorbeeld vanwege de verkeersaantrekkende werking, de benodigde ruimte voor parkeren, geluidhinder, impact op het woongenot en privacy van omwonenden.
Hoe groot de impact is en hoe dit zich uit, is afhankelijk van de manier waarop op het vormgegeven wordt, wat er op het perceel al kan en mag, én de ligging ten opzichte van de omgeving, omwonenden en het landschap.
In de basis geldt dat er vaak meer mogelijkheden zijn wanneer het voedselbos of de voedseltuin onderdeel is van een bestaand agrarisch erf of woonerf of daar direct aan grenst, dan wanneer het een vrij liggend agrarisch perceel is.
Ook locaties in of aan de rand van dorpen zijn vaak geschikter, omdat deze vaak goed bereikbaar zijn, grenzen aan bestaande bebouwing en al een bepaalde mate van gebruiksintensiteit kennen.
Overige nevenactiviteiten
Soms ontstaat ook de wens om nevenactiviteiten uit te voeren zoals workshops en andere georganiseerde activiteiten. Of het groeit zelfs uit tot horeca, toerisme en recreatie. Dit zijn commerciële activiteiten die extra druk leggen op het buitengebied en het waardevolle landschap, en verstorend kunnen werken voor omwonenden en andere gebruikers. Wij gaan daar dus zeer terughoudend mee om. Alleen bestaande, grootschalige en goed ontsloten erven waar al een bepaalde mate van bedrijvigheid plaatsvindt kunnen hiervoor geschikt zijn. Bijvoorbeeld als aanvullende activiteiten bij een agrarisch bedrijf.
Bebouwing en parkeren
Naast de activiteiten is er bij een voedseltuin of -bos ook vaak bebouwing nodig voor materieel, opslag en verwerking van de producten en andere voorzieningen. Zoals overkappingen, schuren en tunnelkassen (ook dat is een gebouw). Ook dat heeft impact op de omgeving en op het landschap. Het algemene beleidsuitgangspunt van zowel gemeente als provincie is dat verdere verstening en verrommeling in het buitengebied voorkomen moet worden.
Op agrarische percelen zijn daarom geen gebouwen toegestaan, en geen bouwwerken geen gebouw hoger dan 1,5 meter. Dit geldt óók voor een voedselbos of – tuin.
Ruimte voor bebouwing moet gezocht worden binnen de bestaand (en legaal) aanwezige bebouwing op een bebouwd erf, of binnen de bouwmogelijkheden als het Omgevingsplan nog ruimte biedt voor extra oppervlakte.
Hetzelfde geldt voor parkeerruimte. Aanleg van nieuwe parkeerruimte en parkeren van auto's heeft impact op het landschappelijk beeld en kan zorgen voor geluidsoverlast door slaande deuren. Parkeren moet dus zoveel mogelijk beperkt blijven, en het gebruik van de fiets of te voet gestimuleerd. Als er parkeerruimte nodig is, dan moet de ruimte daarvoor op een bestaand (woon)erf worden gezocht.
Ook hier geldt dus weer dat een bestaand agrarisch erf of woonerf meer mogelijkheden biedt om daar aan grenzend een voedselbos of de voedseltuin te realiseren, dan wanneer het een vrij liggend agrarisch perceel is.
Overige ruimtelijke aspecten
Naast de bovenstaande kaders rond landschap, het gebruik, bebouwing en parkeren zijn er ook verschillende andere zaken die niet verstoord of belemmerd mogen worden. Zoals flora en fauna, archeologische waarden, de water- en bodemgesteldheid. Afhankelijk van de locatie en de invulling van de voedseltuin of het voedselbos kunnen hier onderzoeken voor nodig zijn.
Ook zijn er onderdelen waar algemene regels voor gelden vanuit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), zoals reclamevoering en evenementen.
En tot slot, maar niet minder belangrijk, is participatie een belangrijk onderwerp bij ruimtelijke initiatieven. Het is van belang om de omwonenden en/of omliggende grondgebruikers en eigenaren al vroeg bij het plan te betrekken. Vanuit een algemene maatschappelijke plicht, maar ook om draagvlak te creëren en weerstand te voorkomen. Ook als er geen omgevingsvergunning nodig is kunnen klachten en bezwaren ontstaan.
Zie ook; Belang van participatie in de omgevingswet
Beoordelingscriteria
Als we bovenstaande kaders samenvatten gaat het om de volgende aspecten (geen uitputtende lijst!) waar rekening mee gehouden moet worden, en die de gemeente in de totale beoordeling meeweegt bij initiatieven voor voedseltuinen en - bossen:
- Natuur- en landschapswaarden van het gebied
- Voldoende afstand tot omliggende woningen en andere functies
- Verkeerssituatie/verkeeraantrekkende werking, voldoende parkeerruimte op eigen terrein, goede bereikbaarheid
- Impact van de openstelling voor bezoekers (pluktuin/verkoop, (school)educatie) en de invloed daarvan op de omgeving
- Gebruik van bestaande bebouwing en/of bestaande bouwmogelijkheden, nieuwe of extra gebouwen en bouwwerken niet toegestaan (geldt ook voor tunnelkassen)
- Nevenactiviteiten zijn in principe niet toegestaan
- Archeologische waarden, water- en bodemgesteldheid
- Flora en fauna waarden (bijvoorbeeld beschermde soorten, weidevogels)
- Overige geldende wet- en regelgeving op gebied van natuur, stikstof, milieu etc.
- Algemene Plaatselijke Verordening (APV)
Omgevingsvergunning
Voor het totale plan van een voedseltuin zal vaak een omgevingsvergunning nodig zijn. Voor voedselbossen en agroforestry is een specifieke ontheffingsmogelijkheid opgenomen in het Omgevingsplan, beschreven in hoofdstuk 3 van de bijlage.
Bepaalde landschapselementen en ingrepen in de bodem zoals opgaande beplanting, waterpartijen, ontgraven van gronden zijn alleen toegestaan nadat een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden is verleend. Soms is daar een archeologisch onderzoek voor nodig.
Bebouwing en activiteiten die niet binnen de bestemming van het perceel passen kunnen alleen toegestaan worden via een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan (= OPA of BOPA). De ruimtelijke kaders die in dit hoofdstuk beschreven staan, bepalen al voor een groot deel of medewerking aan een omgevingsvergunning mogelijk is of niet.
Er moet dan ook sprake zijn van een 'Evenwichtige toedeling van functie aan locaties' (=ETFAL*, voorheen een goede ruimtelijke ordening*). Dit moet onderbouwd worden aan de hand van diverse onderzoeken, algemene wet- en regelgeving en dus de toetsing aan de hierboven beschreven ruimtelijke kaders.
Het Omgevingsplan
Een deel van bovenstaande kaders zit al verwerkt in het Omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. Het Omgevingsplan bestaat uit meerdere bestemmingsplannen bij elkaar, die te zien zijn op de website van het Omgevingsloket via 'Regels op de kaart'. Daar kunt u de locatie waar u het voedselbos of de voedseltuin wilt realiseren opzoeken.
In het bestemmingsplan voor het betreffende buitengebied (of dorpskern) vindt u de kaart die aangeeft welke bestemming het perceel heeft. Denk hierbij aan bestemmingen als agrarisch, natuur, wonen en/of recreatie en bedrijf.
Voor een perceel zijn vaak meerdere bestemmingsplannen van toepassing, bijvoorbeeld:
- Bestemmingsplan Buitengebied, voor de voormalige gemeenten Marum/Leek/Zuidhorn/Grootegast
- Herziening bestemmingsplan Buitengebied Westerkwartier = bevat vervangende voor de bovenstaande buitengebied-plannen
- Bestemmingsplan voor het specifieke dorp of verzameling dorpen
- TAM-omgevingsplan Facetplan Archeologie
De bestemmingen laten zien welke functies en activiteiten toegestaan zijn en of er bebouwing mogelijk is. Soms is het gebruik bij recht toegestaan, en soms alleen in afwijking van nadat een omgevingsvergunning is verleend.
Bij recht betekent dat het Omgevingsplan het gebruik zonder meer toestaat, wij kunnen het dan niet weigeren. Als bebouwing toegestaan is, is er soms nog wel een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit nodig.
In afwijking van betekent dat we eerst beoordelen of het aanvaardbaar is en voldoet aan de voorwaarden die daarvoor gesteld zijn in het Omgevingsplan en in deze bijlage. Ondanks dat wij de realisatie van voedseltuinen en voedselbossen stimuleren, betekent dit niet dat elke plek er geschikt voor is.
Als de plek wel geschikt is, dan kunnen we afwijken van het Omgevingsplan. Via een 'Verken uw idee' kunnen wij beoordelen welke situatie voor het betreffende plan van toepassing is. Er moet dan altijd sprake zijn van een 'Evenwichtige toedeling van functie aan locaties' (=ETFAL*, voorheen een goede ruimtelijke ordening*).
Agrarische gronden en bouwvlakken
In het Omgevingsplan maken we bij de agrarische bestemmingen onderscheid tussen de bebouwde erven (bouwpercelen) van een agrarisch bedrijf en de onbebouwde agrarische gronden.
De bouwpercelen zijn voor agrarische bedrijven, en hebben de bestemmingen 'Agrarisch – Agrarisch bedrijf'. De onbebouwde agrarische gronden hebben de bestemming 'Agrarisch' of 'Agrarisch -1'.
In de meeste gevallen zijn percelen die voor voedselbossen- of tuinen in beeld zijn de onbebouwde agrarische gronden. Deze zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik, waaronder het telen van gewassen en/of het weiden van dieren. Afhankelijk van de vorm en omvang kan een voedseltuin hierbinnen passen omdat het dan om het telen van gewassen gaat.
Let op: Het gaat dan alleen om het productiegerichte onderdeel van de voedseltuin, dus puur het produceren van het voedsel. En niet om de aanverwante (neven)activiteiten die bezoekers trekken.
Boom- en/of sierkwekerijen, houtteelt- of fruitteeltbedrijven zijn niet zomaar toegestaan omdat dergelijke hoog opgaande beplanting en bomen grote impact kan hebben op de openheid en landschappelijke waarden van het buitengebied. Een voedselbos realiseren vraagt dus om een nadere afweging, en ook een voedseltuin met fruitteelt is niet direct mogelijk.
Met de Voedselvisie 2024-2030 en de bijbehorende Uitvoeringsagenda 2024-2026 willen we voedselbossen en -tuinen stimuleren.
Voor de bestemming Agrarisch is in het (herziene) bestemmingsplan voor het buitengebied van de Gemeente Westerkwartier daarom het begrip agroforestry opgenomen. Binnen enkele agrarische bestemmingen kan het college van burgemeester en wethouders (B&W) dan van het bestemmingsplan afwijken om medewerking te verlenen aan initiatieven van agroforestry, ofwel voedselbossen en -tuinen, mits het initiatief voldoet aan de voorwaarden het Omgevingsplan.
Het kan ook zijn dat er een bebouwd erf van een (voormalig) agrarisch bedrijf in beeld is, dus een bouwvlak met de bestemming 'Agrarisch – Agrarisch bedrijf'. Binnen de begrenzing van dit erf zijn al diverse activiteiten en bebouwing en activiteiten toegestaan waardoor een wijziging naar (of aanvulling met) een voedselbos- of tuin vaak minder impact heeft op de omgeving en het landschap. Maar ook deze gevallen vragen om een nadere afweging, te beginnen bij het indienen van een 'Verken uw idee' plan.
Natuur en Bos
Bestaande bos- en natuurgebieden hebben de bestemming 'Natuur' die is gericht op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden, en van de cultuurhistorische waarden zoals die ter plaatse voorkomen.
Deze gebieden zijn op voorhand niet geschikt voor de aanleg van een voedselbos of – tuin. Mocht er toch een locatie voor ogen zijn binnen deze gebieden, dan moeten de (on)mogelijkheden nader beoordeeld worden om te kijken of er sprake is van een uitzondering.
Wonen
Binnen de bestemming 'Wonen' is alleen een voedseltuin/bos voor het eigen gebruik mogelijk. De voedselbossen en -tuinen waar deze visie zich op richt vallen daar niet onder, in deze visie gaan we namelijk uit van een omvang die productiegericht is, bedoeld om ook aan derden te leveren of door derden te bewerken. Maar woonerven zijn er in verschillende soorten en maten.
Een groot woonerf met veel bestaande bebouwing biedt wellicht wel de mogelijkheden om het parkeren en de ruimte voor opslag op een bestaand erf op te vangen. Vooral als ook sprake is van een goed bereikbare locatie. Als er dus een woonerf in combinatie met een aangrenzend agrarisch perceel in beeld is, kan er een nadere afweging gedaan worden of de locatie zich in het specifieke geval leent voor een voedselbos of -tuin.
Recreatie en Bedrijf
De bestemmingen 'Recreatie' (dagrecreatie en/of verblijfsrecreatie) en 'Bedrijf' zijn gegeven aan bestaande recreatieve voorzieningen en bedrijven. Een voedseltuin- of bos zal doorgaans niet direct toegestaan zijn. Het kan echter wel een mogelijkheid zijn als aanvulling op of vervanging van de aanwezige activiteiten. Ook in dat geval is altijd een specifieke afweging nodig.
Beschermde landschapstypen en elementen
In het Omgevingsplan worden ook belangrijke landschapstypen beschermd. Zo heeft een groot deel van de gemeente de bestemming 'Waarde – Open Gebied'. Daarbinnen zijn voedselbossen – en tuinen met veelal hoogopgaande beplanting niet wenselijk. Ook de gebieden rondom wierden en essen zijn niet geschikt. De ontheffingsmogelijkheid in het Omgevingsplan kent dan ook de voorwaarde dat de ontheffing daar niet toepasbaar is.
Zie ook bijlage II waarin de verschillende landschapstypen en gebiedskarakteristieken benoemd zijn.
Archeologische waarden
In het Omgevingsplan liggen over bijna het gehele grondgebied van de gemeente (dubbel)bestemmingen die de mogelijk aanwezige archeologische waarden beschermen. Dit betekent dat gebieden een verbod kennen om grondwerkzaamheden uit te voeren. Dit geldt vanaf een bepaalde diepte en omvang die per gebied verschilt. Dit kan betekenen dat archeologisch onderzoek nodig kan zijn bij uw plan.
Voorwaarden ontheffing Omgevingsplan agroforestry - voedselbos
Het bestemmingsplan 'Herziening Bestemmingsplan Buitengebied Westerkwartier', dat onderdeel uitmaakt van het (tijdelijke) Omgevingsplan van de gemeente bevat voor gronden met een agrarische bestemming een ontheffingsmogelijkheid om voedselbossen en agroforestry toe te staan. Zo kan er eenvoudiger een vergunning worden afgegeven. Het is daarbij belangrijk dat er wordt voldaan aan de voorwaarden. Deze voorwaarden nemen we ook mee bij de beoordeling voor voedselbossen-en tuinen op andere locaties die niet een agrarische bestemming hebben.
Een locatie voor voedselbossen en agroforestry is alleen mogelijk indien:
- Per saldo geen afbreuk wordt gedaan aan de bestaande natuur- en landschapswaarden
- De aanleg past in een – op basis van landschap, bodem en water als leidend principe vastgestelde gemeentelijke structuurvisie
- Er een historische analyse en landschappelijke analyse wordt ingediend en akkoord word bevonden
- De maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van landschapsarchitectuur
- De aanleg van bos en/of natuurelementen, voedselbossen en agroforestry is niet mogelijk voor zover het gronden betreffen rondom wierden, essen en esgehuchten of grootschalig open gebieden en/of weidevogelgebieden
Bij toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid vindt ook de algemene belangenafweging plaats, waarbij betrokken worden:
- De mate waarin de waarden, welke het plan beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad
- De mate waarin de belangen van gebruikers en/of van eigenaren van de aanliggende gronden kunnen worden geschaad
- De mate waarin de uitvoerbaarheid is aangetoond, waaronder begrepen de toelaatbaarheid op het gebied van milieu, externe veiligheid, waterhuishouding, ecologie, archeologie en nachtelijke lichtuitstraling
- De mate waarin de landschappelijke inpasbaarheid is aangetoond
- De mate waarin de verkeerssituatie wordt beïnvloed, waaronder begrepen de gevolgen voor de infrastructuur
Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad, en/of de uitvoerbaarheid/inpasbaarheid niet is aangetoond, en/of de verkeerssituatie onevenredig wordt beïnvloed, vindt de afwijkingsbevoegdheid geen toepassing.
Afstemming andere overheden
Bij een afwijking van het Omgevingsplan is de gemeente vaak verplicht om afstemming te zoeken met andere overheden. Ook de provincie Groningens stelt namelijk regels aan de inrichting van het buitengebied, via de provinciale Omgevingsverordening. In sommige gevallen kan een maatwerkgesprek met de provincie nodig zijn.
Daarnaast is afstemming met het waterschap van belang, en afhankelijk van de locatie ook met het waterbedrijf die het belang van de drinkwatervoorziening behartigt.