Bijlage II: Landschappelijke randvoorwaarden voor Voedselbossen en Voedseltuinen

Gebiedskarakteristieken als vertrekpunt

Bij het beoordelen van initiatieven voor voedselbossen en voedseltuinen nemen we de gebiedskarakteristieken als uitgangspunt. In het Westerkwartier onderscheiden we twee hoofdlandschapstypen namelijk het kleilandschap en veenlandschap. In de omgevingsvisie staan gebiedskompassen van de vier landschappelijke deelgebieden, elk met eigen kwaliteiten en typologieën:

  • Dijkenlandschap
  • Wierdenlandschap
  • Wegdorpenlandschap
  • Heide-/veenontginningslandschap

In onze Omgevingsvisie en de Landschapsbiografie van het Westerkwartier zijn onze ambities en keuzes per landschapstype uitgewerkt. Deze documenten bieden inspiratie en richting voor het ontwerp van voedselbossen en voedseltuinen. Het behouden, herstellen en waar mogelijk versterken van landschappelijke waarden staat centraal.

Schaal bij schaal: ruimtelijke inpassing

Bij het beoordelen van initiatieven hanteren we het principe van schaal bij schaal. Dit betekent dat de omvang en vorm van een voedselbos of voedseltuin moet passen bij de schaal van de omgeving waarin het wordt gerealiseerd.

Erven

Initiatieven bij (boeren)erven dienen aan te sluiten bij bestaande opgaande beplanting en bebouwing. Op deze wijze versterkt / sluit het aan bij het "groene eiland"-effect in het open landschap. Ook dient de omvang van het voedselbos of -tuin in verhouding te staan tot het erf en de omliggende open ruimte.

Dorpsomgeving

In kleine dorpen geldt een richtlijn van maximaal 0,5 tot 1 hectare voor voedselbossen en tuinen. Deze richtlijn is indicatief; initiatiefnemers kunnen gemotiveerd afwijken mits zij aantonen dat hun plan past bij de schaal en structuur van het dorp.

In het landschap

In open landschappen zoals het dijken- en wierdenlandschap is grootschalige opgaande beplanting ongewenst. Voedselbossen en -tuinen mogen hier niet los in het landschap staan, maar moeten gekoppeld zijn aan bestaande beplanting, bebouwing of dorpsstructuren. De onregelmatige verkaveling, bochtige wegen, sloten en reliëf maken het landschap kwetsbaar voor visuele verstoring.

Specifieke landschappelijke randvoorwaarden

Dijken- en wierdenlandschap

Het open karakter van deze landschappen vereist terughoudendheid in beplanting. Initiatieven moeten daarom aansluiten bij bestaande elementen (erven, dorpsranden). Losstaande voedselbossen of tuinen zijn hier niet toegestaan.

Weidevogelgebieden

Initiatieven in of nabij weidevogelgebieden moeten een (hele!) goede motivatie aanleveren. Gebruik van impactcirkels is verplicht om aan te tonen dat het initiatief geen of minimale verstoring veroorzaakt. Voedselbossen worden in of nabij weidevogelgebieden niet aangeraden ter bescherming van de weidevogels.

Coulisselandschap

In dit landschapstype dient rekening gehouden te worden met waardevolle doorzichten vanaf bebouwingslinten naar het achterliggende landschap. "Open kamers" met zicht op dit achterliggende landschap mogen zomaar niet worden dichtgezet. Voedselbossen en -tuinen sluiten bij voorkeur aan op dorpsomgevingen. Afwijkingen zijn mogelijk, mits het doorzicht behouden blijft.